Woord met H

  • Algemene Nederlandse begroeting, komt van ‘hallo’.

  • Veelgebruikt woord voor een woning of gebouw.

  • Informele begroeting in het Nederlands, kort voor hallo.

  • Veelvoorkomend woord voor het dier, huisdier ook.

  • Nederlands woord voor lichaamsbeharing of kapsel.

  • Nederlands woord voor bovenste deel van het lichaam.

  • Algemeen Nederlands woord voor grijporgaan, ledemaat.

  • Ingeburgerd scheldwoord voor homoseksueel persoon.

  • Nederlands werkwoord én uitroep bij nood.

  • Nederlands woord voor hoofddeksel, vaak van vilt of stof.

  • Nederlands bijvoeglijk naamwoord, grote hoogte aanduidend.

  • Nederlands woord voor sterk hongergevoel.

  • Ingeburgerd leenwoord voor logiesverblijf, hotel.

  • Nederlands werkwoord: slaan met hak of hoge hakken dragen.

  • Nederlands woord voor verwachting of stapel, ook figuurlijk.

  • Nederlands woord voor gedroogd gras als veevoer.

  • Bijwoord van plaats in het Nederlands, aanduiding nabijheid.

  • Nederlands woord voor slagwerktuig of gereedschap.

  • Nederlands woord voor het dier, familie van het konijn.

  • Veelgebruikt werkwoord, betekent auditief waarnemen.

  • Lidwoord, superbasis in het Nederlands.

  • Werkwoord of bijv. nw., duidt hoge temperatuur aan.

  • Bijwoord/bijv. nw. voor compleet of erg veel.

  • Zelfstandig naamwoord, spierpomp in je borstkas.

  • Meervoud van hand, deel van je arm om te pakken.

  • Knaagdier, populair als huisdier bij kinderen.

Les mots dans la liste Woord met H proviennent des joueurs du jeu de mots Le Petit Bac.